Hoe Abraham Kuyper ingreep in Makkum

 

Soms kan de vondst van een op het eerste gezicht eenvoudig briefje in een kerkarchief een helder licht doen schijnen op de kerkelijke gezagsverhoudingen van weleer. Op 30 april 1899 zou bij de gereformeerde kerk van Makkum een nieuwe predikant bevestigd worden. Het was A. Kuyper uit Amsterdam, zoon van de befaamde theoloog en staatsman Abraham. Niemand minder dan zijn beroemde vader zou de bevestigingsdienst leiden. De Makkumer kerkenraad voorzag dat de komst van de grote man een stormloop op de beschikbare plaatsen in de kerk zou veroorzaken. En zo verscheen in de Friesche Kerkbode van 14 april een advertentie waarin werd aangekondigd dat voor het bemachtigen van een zitplaats een kaartje moest worden gekocht dat een gulden kostte. Omdat kaarten alleen per post zouden worden toegezonden moest bovendien een stuiver voor de portokosten worden voldaan.

Deze advertentie kwam onder de ogen van de man die de dienst zou leiden: prof. dr. Abraham Kuyper, hoogleraar in de theologie en een handvol andere vakken aan de Vrije Universiteit en de onbetwiste leidsman van de gereformeerde kerken in Nederland. Hij was het met de in de advertentie aangekondigde maatregel volstrekt oneens en componeerde een brief op poten aan ‘den eerwaarden kerkeraad ‘ van Makkum. Hij begon, heel tactisch, met een kleine pluimstrijkerij. Dat de broeders een plan hadden uitgedokterd om verstoring van de orde te voorkomen vond hij ‘uitnemend’. Maar tegen de inhoud van het plan had hij onoverkomelijke bezwaren, want ‘een vergadering tegen entréegeld is geen vergadering der geloovigen, is geen kerk meer’. En daar liet hij dreigementen en bevelen op volgen die er niet om logen. De broeders dienden de maatregel in te trekken want anders kwamen en de bevestiging en zijn optreden simpelweg in gevaar. Hij had er geen bezwaar tegen dat de mensen uitsluitend op vertoon van een kaart in de kerk werden toegelaten, maar ‘ge vraagt geen geld en stelt niet den eisch dat die kaart per post moet bezorgd worden’. Tenslotte dreigde hij ten overvloede. Dat hij zijn naam niet zou kunnen ‘verbinden aan een kerkelijke handeling die door geldhandel onwettig werd’.

In de notulen van de Makkumer kerkenraad wordt over deze brief in alle talen gezwegen. Maar er is niet veel fantasie voor nodig om zich van de reacties een voorstelling te maken. Men mag veilig aannemen dat de voormannen van de Makkumer gereformeerden hevig ontdaan zijn geweest door de ongezouten kritiek waarmee de bewierookte leidsman hun zorgvuldig uitgedokterde plan overlaadde. En ze kozen rap eieren voor hun geld. Want bladeren wij in de Friesche Kerkbode van 21 april 1899, dan valt ons ook op een nieuwe advertentie. Daarin deelt de gereformeerde kerkenraad van Makkum mee, dat de een week eerder aangekondigde maatregel van de baan was. Wie de bevestigingsdienst wilde bijwonen moest nog wel aan kaart aanvragen, maar die kon geheel gratis bij de koster worden afgehaald. Wie al betaald had kreeg zijn geld ‘op verlangen terug’. En zo waren de Makkumer mannenbroeders in een ommezien voor Kuypers dreigementen en bevelen gezwicht. Het woord van Abraham de Geweldige was wet, ook voor de gereformeerden aan Frieslands Zuiderzeekust.

Sjoerd de Haan

Archief